In de serie ’Drijfveren in de Topsport‘ gaan we, vanuit de samenwerking tussen Management Drives en TalentEmpowerment, in gesprek met topsporters over hoe zij het maximale uit zichzelf halen. Deze keer doen we dat met Selma Poutsma, een 22-jarige in Den Haag geboren shorttrackster én langebaanschaatster. Tijdens de afgelopen Spelen in Beijing kwam ze in actie op de 500m en 1000m shorttrack en won ze met het nationale relay-team goud.

Mijn weg naar Beijing

Selma begint haar verhaal over de kwalificaties: “We hebben richting het einde van 2021 vier kwalificatie World Cups gereden, en daarvoor nog een aantal wedstrijden om ons voor deze World Cups te kwalificeren. Belangrijk hierin was, om het maximale aantal van drie individuele startplekken op de OS te verkrijgen en dat we het op één van deze drie World Cups met zijn drieën heel goed zouden doen. Dus als er tijdens een World Cup twee het heel goed doen en de derde valt, dan zouden we maar met tweeën mogen starten in Beijing. Echt een groepsopdracht dus, want iedereen heeft er natuurlijk belang bij dat we met zo’n groot mogelijke groep mogen afreizen.”

“Voor de relay zat het anders. Daar moesten we ’slechts‘ in de top acht eindigen. Met name die eerste twee World Cups heb ik écht als stressvol ervaren. Ik wist dat we een heel goed team hadden, dat waarschijnlijk de eerste twee plekken al vergeven waren, en dus dat die drie plekken gaven mij simpelweg meer kans om op een individuele afstand in actie te komen. Toen we deze drie plekken binnen hadden, ervaarde ik veel meer rust. Toen resteerde mij nog één uitdaging: ik moest er alleen nog voor zorgen dat de bondscoach mij ging opstellen op één of meerdere individuele afstanden.”

“Wat voor mij wel een prettige opsteker was, was het NK dat begin januari in Leeuwarden plaatsvond. Ik won op alle afstanden – mede ook omdat Suzanne Schulting (teamgenoot) niet aan het NK mee deed. Met dit resultaat was ik best tevreden, vooral ook omdat ik technisch erg goed schaatste én ik superfit was. Dit tweede was al in december duidelijk. Ik deed mee aan het OKT langebaan . Niet om me te kwalificeren, maar gewoon omdat dat superleuk is. En ik reed voor het eerst onder de 38 seconden, met een tijd van 37,89. Dat was goed voor de achtste plek geloof ik. SUPER voelde dat! Ik was écht heel erg blij met dat resultaat. Grappig, want ik weet (bijna) zeker dat ik geen Olympische medaille op de langebaan ga halen. Maar ik krijg echt energie van beter worden, het maximale uit mijn potentieel halen. Of dat nou op een Olympisch podium of op de lange baan van Thialf is.”

“De selectie was nog wel spannend. Je hebt als shorttracker na een resultaat best wel snel een gevoel of je erbij zit, maar je wil je naam op dat bord zien staan. Dan kan je het echt aan iedereen vertellen. Ik wist voor het nieuwe jaar – en dus ook voor het NK – dat ik al een paar afstanden zou rijden – de 500m en de 100m. Maar op de Spelen hoorde ik pas dat ik de 1500m niét mocht rijden. Over de laatste afstand die je als team rijdt, de relay, had ik altijd wel een goed gevoel.Op alle vier de World Cups reed ik namelijk al de relay en moest ik deze zelfs starten. Maar toen ik het slotvonnis hoorde, viel er toch wel wat van mijn schouders af. Ik wist dat ik mijzelf binnen enkele weken Olympiër mocht noemen.”

Mijn avontuur in Beijing

“Na een stressvolle aanloop voor de Spelen, kon ik in Beijing best wel genieten van het hele feestje en liep ik relaxed rond. Het voelde bijna als een soort trainingskamp – waar we er veel van hebben , want de magie van de OS voelde ik nog niet. Totdat de wedstrijden kwamen. Voor die wedstrijden was ik zo stik zenuwachtig… Toen besefte ik door het publiek, de atmosfeer, de ringen op het ijs, dat dit toch echt wel iets anders was. Achteraf besefte ik dat nog meer. Als je dan met zo’n gouden medaille thuis komt, dan zie je hoe mensen daarnaar kijken. Dan besef je toch wel: dit was echt wel iets anders dan zo’n trainingskamp.”

“Uiteindelijk mocht ik van de bondscoach  Jeroen Otter op twee individuele afstanden starten, de 500 meter en de 1000 meter. Daarna mocht ik ook de relay rijden. Maar om eerlijk te zijn: die individuele afstanden gingen eigenlijk heel matig. Ik hoopte sowieso elke keer de halve finales te behalen, maar ik viel twee keer in de voorrondes af. Één keer vanwege een val, en één keer vanwege een misslag. Terwijl ik twee keer door zou zijn gegaan als ik die fout niet zelf had gemaakt. Met name van die 500 meter baalde ik. Dat is mijn afstand. Gelukkig wist ik dat ik een aantal dagen later de relay moest rijden. Ik kon wel de knop omzetten. In het shorttrack weet je gewoon dat dit kan gebeuren. It’s part of the game. Je doet dit zo vaak, je rijdt zo veel bochten. Je kan dit gewoon. En daarom stond ik er tijdens de relay-finale weer vol zelfvertrouwen.”

Écht met elkaar in verbinding staan

“De relay was echt fantastisch. Echt een topprestatie van ons team. Als team voelden we zo’n sterke verbinding met elkaar. Dat zie je volgens mij ook wel op de video’s van de race. Die verbinding gaat veel verder dan gewoon ’contact‘. Oprecht betrokken zijn bij elkaar, elke dag keihard trainen, elkaar helpen, hetzelfde doel delen. Echt genieten. Maar die gouden medaille, daar moest ik wel even aan wennen. Ik wilde er echt trots op zijn. En dat was ik ook wel, maar de wereld draait zo snel weer verder. Ik heb voor die medaille ook wel veel over nagedacht van tevoren. Stel… Stel ik win goud. Heb ik dan meer zelfvertrouwen? Voelt het dan als iets dat ’af‘ is? Verandert er iets in mij? Maar ik merkte…. ik ben gewoon dezelfde persoon, en helemaal niks veranderd. Behalve dat ik iets gewonnen heb waar ik trots op mag zijn.”

Reflectie

“Mijn grootste drijfveer is analyseren. Daar herken ik mij heel erg in. Ook de ’groene‘ drijfveer –die staat voor sociaal, mens-georienteerd & communiceren– heb ik heel sterk. En die combinatie is met name onder druk fascinerend. Want ik heb enorm veel behoefte aan mensen om me heen en een goede harmonie in de groep. Maar als de druk erop komt te staan, dan trek ik me terug en ga ik veel nadenken. Daarbij komt dat ik richting wedstrijden een enorme control-freak wordt. Ongetwijfeld heeft dat ermee te maken dat ik het maximale uit mezelf wil halen. Overigens is dat iets anders dan een medaille halen. Als een top acht het maximaal haalbare is, dan is dat zo. Wanneer je het maximale eruit wil halen, dan moet alles kloppen. En als alles moet kloppen, dan moet je alles doordenken en organiseren. Terwijl ik juist die sterk aanwezige behoefte heb aan mensen om me heen en me door een bepaalde situatie of uitdaging heen te slaan. En dat merk ik dan ook: als er een teamgenoot naar me toekomt om te vragen hoe het met me is, dan merk ik direct dat ik dat heel prettig vind. Dat is echt een Chinese wijze les voor mij: ik moet, juist als ik onder druk sta, blijven praten en anderen blijven opzoeken.”

“En tot slot: mijn absolute kracht is dat ik echt het maximale uit mijn mezelf wil halen. Of dat nu is op nationaal niveau of op internationaal niveau. En daardoor word ik zo superkritisch. Zo was ik totaal niet tevreden over mijn finalerit. Vanuit technisch oogpunt had ik het gevoel dat ik het beter had kunnen doen. Terwijl ja, objectief gezien… Ik startte goed, reed direct voorop, en we gaven die voorsprong als team nooit meer weg. Wat zeur je dan hè…. Daarna duurt het even om dit gevoel los te laten. Maar uiteindelijk… Dan kan ook ik genieten van die gouden medaille.”